“OPDAT ZIJ AAN EEN BETERE OPSTANDING DEEL MOCHTEN HEBBEN” (Hebreeën 11:35).
Sprekend over de vele ‘geloofsgetuigen’ noemt de Hebreeën brief ook de vrouwen, die haar..doden uit de opstanding hebben terugontvangen maar ook anderen die zich hebben laten folteren en van geen bevrijding willen weten,”opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben” (Hebreeën 11:35).
Wat verstaat de Schrift onder deze ‘betere opstanding’, waarvoor kennelijk mensen bereid waren en zijn (!) om zich te laten folteren en gevangen nemen? En is er dan sprake van méér dan één opstanding, want hier wordt immers gesproken van een betere opstanding?
Dat er meer dan één opstanding is wordt ook bevestigd in het boek Openbaring, waarin wordt geschreven: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht.” (Openbaring 20:6).
Er is kennelijk dan ook een tweede opstanding. De Bijbel spreekt inderdaad over twee soorten ‘opstanding’. Deze beide soorten worden het best gekarakteriseerd door de opstandigen van respectievelijk Jezus en lazarus, wiens, opwekking, wordt beschreven in Johannes 11:1 e.v. Was bij Lazarus tussen zijn lichamelijkheid ná zijn opwekking en die van vóór zijn sterven geen verschil, bij Jezus was dat geheel ánders!
De lichamelijkheid van de opgestane Heer is er een van een andere orde dan die van de weer levend geworden Lazarus en dan die van Hemzelf vóór de opstanding.
Het opstandingslichaam van de Heer had kennelijk eigenschappen, die aan het ons bekende lichaam niet worden gevonden. Zo lezen we hoe Hij, de opgestane Heer, plotseling bij de discipelen in huis was ‘terwijl de deuren gesloten waren’ (Johannes 20:26). En kennelijk was Hij ná zijn opstanding voor hen, die Hem tijdens zijn leven van heel dichtbij hadden meegemaakt, niet direct herkenbaar.
Zo herkende Maria van Magdala Hem niet direct, maar hield Hem voor een tuinman (Johannes 20:14,15) en herkenden de twee Emmaüsgangers Hem eerst nadat hun ogen ‘geopend’ waren (Lucas 24:31). Bovendien verdween Hij uit hun midden.
Als kort daarop Jezus verschijnt aan zijn discipelen menen zij een geest te zien (Lucas 24:36-37).
Het kenmerkende van de opstanding van Jezus Christus is, dat het een opstanding is ten leven, een opstanding dat onsterfelijkheid insluit. In het Johannes-evangelie vinden we een naast elkaar zetten van de twee soorten opstanding in de volgende woorden van Jezus: “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel” (Johannes 5:28-29).
Er wordt kennelijk onder de doden (allen, die in de graven liggen) een onderscheid gemaakt tussen hen, die opstaan ten leven en hen die opstaan ten oordeel. Het boek openbaring geeft aan dat de opstanding ten leven, ook wel de eerste opstanding genoemd, plaats zal vinden vóór de periode van de Christus-regering op aarde. “Dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, duizend jaren” (Openbaring 20:6).
Van de overige doden, die dus geen deel hebben aan deze eerste opstanding, vermeldt het boek Openbaring: “De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren” (Openbaring 20:5). De opstanding van deze doden vindt eerst plaats ná deze 1000-jaren-periode als een opstanding ten oordeel (Openbaring 20:11-15).
Zij die deel zullen hebben aan de eerste (betere) opstanding vormen de ‘gemeente der heiligen’ (‘heilig’ in bijbelse zin betekent: apart gezet, geroepen tot een bepaalde bestemming), het (regerings-)lichaam van Christus….”.en zij zullen met Hem als koningen heersen, duizend jaren”.
Dezen hebben deel aan wat de Bijbel noemt (in het grieks) de ‘ex-anastasis’ (Filippenzen 3:11), de uit-opstanding. Deze uit-opstanding houdt in een opstanding van tussen de doden uit, een uit-genomen worden (als een aparte groep) van tussen de doden.
Het zijn dezen, die het regeringslichaam van de Heer vormen en met Hem zullen regeren als koningen in het vrederijk van de Messias, “en zij zullen met Hem als koningen heersen”.
Sprekend over deze uit-opstanding schrijft Paulus, dat hij er naar verlangt om deel te hebben aan deze ‘ex-anastasis’ en daarom ook jaagt naar het doel, om de prijs der roeping Gods in Christus Jezus (Filippenzen 3:11-14). Veel heeft Paulus in zijn leven en bediening dan ook willen en durven incasseren, niet alleen lichamelijke vervolgingen en kastijdingen maar ook “dat allen in Asia zich van mij hebben afgekeerd” (2 Timotheüs 1:15). Zijn innige verlangen was immers om gelijkvormig wordende aan de dood van zijn Heer ook deel te hebben aan de eerste, de betere opstanding, de uit-opstanding (Filippenzen 3:10).
Tot de Sadduceeën, die een opstanding ontkenden, spreekt Jezus over hen, die “waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die ‘aioon’ (de periode van het Christus-rijk op aarde) en aan de opstanding uit de doden” (Lucas 20:36). Hij voegt eraan toe, dat dezen niet meer sterven, “immers, zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen Gods, omdat zij kinderen der opstanding zijn” (Lucas 20:36). Onder hen zal ook geen sprake meer zijn van “huwen en ten huwelijk genomen worden”.
Het is dan ook geen wonder, dat Paulus, denkend aan deze uit-opstanding, hier vurig naar verlangt en hiertoe “jaagt naar het doel, om de prijs der roeping Gods in Christus Jezus” (Filippenzen 3:14), daarbij “vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt”.
Vergeving van zonden is een genade-geschenk van God voor een ieder die zich van hárte bekeert tot de levende God en Jezus Christus aanvaardt als zijn persoonlijke Heiland, maar het deel hebben aan de “betere opstanding”, als mede-erfgenamen van Jezus Christus en als mede-regeerders in zijn rijk van vrede, is een bijzondere genade-geschenk die God wil geven aan hen, die door vele beproevingen heen betrouwbaar zullen blijken te zijn en waardig gekeurd om aan die ‘aioon’ deel te hebben.
Paulus schrijft dan ook aan de gemeente te Korinthe: “Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd. Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken” (1 Korintiërs 4:1-2). Hij laat zich dan ook niet beïnvloeden door menselijke beoordelingen.
“Nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u (gelovigen te Korinthe) of door enig menselijk gericht beoordeeld word… Hij, die mij beoordeeld is de Heer” (1 Korintiërs 4:3-4). Het is (God zij dank!) inderdaad de Heer zélf die het oordeel zal geven, die zal beslissen of iemand al dan niet waardig bevonden wordt aan de Messiaanse ‘aioon’ deel te hebben en al dan niet mét Hem mag regeren in het Godsrijk op aarde. Omdat alléén Hij hen daartoe heeft bestemd en geroepen, omdat alléén Hij hen rechtvaardigt en hen verheerlijkt.
“Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld Zijn, Zoons, opdat Hij (de Zoon) de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt” (Romeinen 8:28-30).
Gods oordeel is, aldus Paulus, een rechtvaardig oordeel (Romeinen 2:6) en vanuit dit oordeel, gebaseerd op Gods begrip van goed en kwaad, van juist en niet juist, van nutteloos en waardevol, zal Hij “een ieder vergelden naar zijn werken” en zal Hij aan hen, “die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer (in Gods ogen) en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven geven” (Romeinen 2:7).
Voor hen betekent het heden “delen in het lijden van Christus” maar zij zullen ook delen in zijn verheerlijking (Romeinen 8:17). Zij zullen gelijkvormig worden aan Hem, die dé Zoon van God is, de Eersteling voor Gods aangezicht.
“..en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij (Christus) zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen” (1 Johannes 3:2).
Het deel hebben aan de ‘uit-opstanding’ betekent deel hebben aan de opstanding van Christus (die van een andere orde is dan die van Lazarus!),die opgewekt is ‘uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn’ (1 Korintiërs 15:20). Hij is de Eersteling, maar zij, die de weg gaan die Hij is, met volharding, zullen aan Hem gelijkvormig worden. En zij zullen met Hem heersen als koningen. Zij zijn de ‘heiligende tot een bepaalde bestemming geroepenen. Van deze heiligen wordt gezegd, dat zij de wereld zullen is oordelen (1 Korintiërs 6:2), dat zij de engelen zullen oordelen (1 Korintiërs 6:3), dat zij met Christus als koningen zullen heersen (2 Timotheüs 2:12) “indien wij volharden”.
Het is waar “Wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods” (Romeinen 14:10), “Wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden” (2 Korintiërs 5:10), maar evenzeer waar is het, dat de eindgerichten hen, die aan de eerste opstanding deel hebben, niet zullen bereiken. Zij komen niet in het oordeel, want zij zijn “overgegaan uit de dood in het leven” (Johannes 5:24).
Dit alles wil geenszins zeggen, dat het in Openbaring 20:11 e.v. beschreven oordeel over allen, die geen deel hadden aan de eerste opstanding, voor allen ‘negatief’ zal uitpakken. Bij dit oordeel naar de werken (vers12-13) wordt het “boek des levens” geopend en daar waar sprake is van mensen, die “niet bevonden worden te zijn geschreven in het boek des levens” (vers 15) is kennelijk ook de mogelijkheid, dat er mensen zullen zijn die wél daarin staan opgetekend. Maar dit hele gebeuren vindt eerst plaats ná de in Openbaring 20:1-6 genoemde 1000-jaren-periode, waarin de heiligen reeds deel hebben aan de heerlijkheid van Christus.
Zoals de Vader het gehele oordeel aan de Zoon heeft gegeven (Johannes 5:22) zal deze Zoon op zijn beurt het recht tot oordelen geven (delegeren, overdragen) aan zijn broeders en mede-erfgenamen.”Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?” (1 Korintiërs 6:2). Zij behoren tot die categorie, die de Bijbel de ‘overwinnaars’ noemt.
En van deze overwinnaars wordt onder meer gezegd: “Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden’ ‘Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan’ ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon’ (Openbaring 2:11; 3:12,21).
DAAROM ZEGENDE DE HERE DE SABBATDAG EN HEILIGDE DIE
Naast de regeringsperiode van Salomo kent de Bijbel nog andere vooraf-beeldingen, typen, van het Messiaanse rijk, zoals de tabernakel, het beloofde land en de sabbat. Over deze sabbat nu als type van het vrede-rijk enkele opmerkingen.
In de Schrift komt men veelvuldig de cyclus tegen van zes werkperioden, gevolgd door een (zevende) periode van rust. De sabbat nu is zo’n zevende periode. De achtste periode, die ná de complete cyclus van zeven perioden komt, houdt in feite een totaal nieuw begin in.
Opmerking: De naam ‘Jezus” heeft in het grieks (IEEOYE) de getalswaarde 888!
De zevende periode gaat echter nog aan het totaal nieuwe vooraf, zoals ook het in Openbaring 20:1-6 genoemde tijdperk van de Christus-regering op aarde vooraf gaat aan die fase in Gods heilshandelen, waarover Johannes schreef: “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe. aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer” (Openbaring 21:1).
De sabbat behoort tot de ‘dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest’ (Kolossenzen 2:17) en verwijst dus kennelijk naar iets anders, naar de ‘werkelijkheid van Christus’ (Kolossenzen 2:17). In het bijzonder verwijst de sabbat naar de regeringsperiode van Christus op aarde, die in het teken zal staan van zegening en heiliging.
Van de sabbat immers wordt gezegd, dat de Here die dag zegende en heiligde (heiligen = apart zetten met een bepaalde bedoeling) (Exodus 20:11).
De zevende markeert het einde van de cyclus van deze (tegenwoordige) schepping. Het Messiaanse rijk is dan ook een theocratie op deze oude aarde. Eerst daarná is sprake van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Het was ook in de zevende maand, de maand Tishri (in 1 Koningen 8 ‘Ethanim’), dat Israël het Loofhuttenfeest moest vieren (Leviticus 23:34) en wel zeven dagen lang. Bij dit feest is echter reeds sprake van een achtste dag. “En op de achtste dag zal er een heilige samenkomst zijn” (vers 36). Reeds een verwijzing naar liet totaal nieuwe dat komen gaat.
Dit Loofhuttenfeest, het feest in de zevende maand, zal in die periode waarin de Heer zichtbaar als Koning op de aarde zal regeren door álle volkeren móéten worden gevierd (Zacharia 14:16 e.v.). Hieruit blijkt reeds dat er dan sprake is van een ‘harde hand’. De volken immers die niet naar Jeruzalem zullen gaan om daar het feest te vieren zullen worden gestraft (vers 17-19).
Dit herinnert ons er aan, dat het vrede-rijk beslist geen periode is waarin de vrede bij allen van ‘binnenuit’ komt. De zevende letter van het hebreeuwse alfabet heet (niet toevallig) ‘zajin’ (dat), wat ‘zwaard’ of ‘wapen’ betekent. In het rijk van de Messias zal het ‘zwaard’, de ‘harde hand’ terdege worden gevoeld door hen, die zich niet vrijwillig aan Hem onderwerpen. Er zal dan ook sprake zijn van straf. Zondaren zullen er nog zijn, evenals de dood, al gelden dood en straf niet meer voor hen, die deel hebben aan de eerste opstanding (zie ook het voorgaand artikel).
Daar zal niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard, die zijn dagen niet voleindigt (dus geen vroege dood), want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar (!) zal eerst als honderdjarige door de vloek (!) getroffen worden (Jesaja 65: 20). En van zijn volk (Israël) zegt God, dat hun leeftijd zal zijn als ‘de levensduur der bomen’ (Jesaja 65:22), maar onsterfelijk zullen ook zij (nog) niet zijn.
Het ‘zwaard’ zal, heel duidelijk voor een ieder, worden gehanteerd.
“En het zal geschieden van nieuwe maan tot nieuwe maan en van sabbat tot sabbat, dat al wat leeft zal komen om zich voor mijn aangezicht neer te buigen, zegt de Here. Zij zullen uitgaan en de lijken aanschouwen der mannen, die van Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet stervenden hun vuur zal niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen” (Jesaja 66:23-24).
Evenals de sabbat als zevende periode het einde markeerde van de oude cyclus en de overgang betekende naar het totaal nieuwe, zo betekent de ‘grote sabbat’ de periode van het koningschap van de Messias, het einde van deze oude aarde èn de overgang naar het totaal nieuwe een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Het lied der overwinnaars
En zij zingen het lied van Mozes, de knecht Gods, en het lied van het Lam, zeggende:
“Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige, rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, Koning der volkeren! Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U nedervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden”.(Openbaring 15:3-4)





