De aarde en haar toekomst

Home / Ekklesia Bericht / De aarde en haar toekomst

De aarde en haar toekomst

Inleiding

Wat is het toekomstige doel en de laatste bestemming van deze planeet, waarop wij leven? Praktisch alle Christelijke leerstellingen leren dat het leven na de dood geen contact met de aarde heeft, maar dat het wordt voortgezet in een soort mystieke hemel, slechts in geestelijke zin. En er wordt dan verondersteld, dat na de wederopstanding der doden de aarde zelf tot as zal verteren en van de sterrenhemel zal verdwijnen.

In de afgelopen maanden hebben twee prominente astronomen in tijdschriftartikelen beweerd, dat leven zoals wij dat kennen, waarschijnlijk op geen andere planeet, behalve de aarde, voorkomt. Tot heden toe hebben ze geen vaste bewijzen van zulk leven; in tegendeel zijn er redenen te geloven dat de toestanden van de omhulsels van de andere planeten in ons zonnestelsel geen menselijk bestaan mogelijk maken. Daarom is, wat heden ten dage met onze aarde gebeurt een zeer ernstige zaak, ongeacht de nieuwe ontdekkingen die de toekomst nog mogen onthullen. Het is nauwelijks aan te nemen, dat de enige plaats in Gods heelal die door mensen bewoond wordt, geheel en al vernietigd zou worden, terwijl daarentegen myriaden ledige onbewoonde sterren in hun constellaties zouden blijven voortbestaan en schijnen.

Ten eerste zouden we kunnen vragen:

“Aan wie behoort de aarde?”

De Bijbel begint met deze verklaring: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”.

De eerste zin van de 24 ste Psalm juicht:

“De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid, de wereld en die daarin wonen”.

Er zijn vele van dergelijke antwoorden in de Schriften te vinden, maar deze zijn voor het ogenblik voldoende. God is eigenaar van de aarde op grond van de scheppingsdaad. Die is absoluut en alles omvattend. De aarde- in al haar prachtige vormen en schoonheid, met al haar geweldige krachten en haar mystieke wetten, met al haar rijkdommen aan mineralen en verborgen schatten in de bodem, de lucht en de oceanen- behoort aan God, omdat Hij haar gemaakt en gegrondvest heeft. Alleen de Schepper kan de aarde, de lucht en het water verschaffen dat nodig is voor het leven op onze planeet, en bovendien vereist de voortduring van de levende schepping steeds weer de werking van dezelfde wondermacht, die haar eerst tot het aanzijn riep.

Deze woorden: “De aarde is des Heren, mitsgaders hare volheid” staan geschreven op de voorgevel van de Royal Exange in Londen en op soortgelijke instellingen in dat land. De oorspronkelijke geschriften en documenten betreffende de vestiging van de United States erkennen de overheersende voorzienigheid en Majesteit van God in onze geschiedenis; en op de in omloopzijnde munten staat: “In God we trust” (op God vertrouwen wij).

Het is goed dat de twee Engelssprekend naties, die het centrum zijn van de wereldhandel, op deze wijze de Goddelijke herkomst en het Goddelijk eigendomsrecht van de wereld en haar bronnen erkennen.

In zijn commentaar op het eerste en het tweede vers van Psalm 24, zegt de Rev. Watkinson:”Het menselijk brein pijnigt zich af door theorieën op te werpen over het ontstaan der wereld, en in de historische ontwikkeling van deze theorieën hebben zich van tijd tot tijd verschillende scholen van pseudo religieuze filosofie voorgedaande moderne gedachten zijn slecht een reproductie in een nieuwe omslag, van de ideeën van de oude filosofen. Het Deïsme dat één van die denkrichtingen is, laat een God bestaan, maar ziet Hem in een staat van apatische rust. Het Panteheïsme verwart Hem met de wereld. Het materialisme ontkent Hem geheel en al, terwijl in al deze theorieën de wereld, de geest van de wereld, het leven van de wereld en de materie van de wereld verheerlijkt en aangebeden wordt. Trotse, ijdele, kleinzielige mens! Hij is als een vlieg die de beweging van een olifant bespreekt of een wriemelende worm die over de uitgestrektheid en de pracht van de oceaan discussieert”.

Augustinus gebruikt in zijn Confessies een aardige allegorisch beeld om het ontstaan van de schepping als het werk van God te beschrijven: “Ik vroeg het aan de aarde; ze zei “Ik ben het niet” en alles wat zich daarop bevond verklaarde hetzelfde, ik vroeg het aan de zee en de diepten en alles wat daarin leeft en zich beweegt en zij antwoordden: “Wij zijn uw God niet, zoek hoger”. Ik vroeg het aan de wind, maar de lucht en al haar bewoners antwoordden: “Ik ben uw God niet” Ik vroeg het aan de hemelen, de zon, de maan en de sterren, en zij antwoordden: “Wij zijn evenmin de God, Dien gij zoekt” En ik zeide tot alle dingen die me omringden: “Gij hebt me over mijn God gesprokene en gezegd dat gij Hem niet zijt, vertel mij dan iets over Hem” en zij allen riepen met luider stem: “Hij heeft ons gemaakt”.

Het is altijd de moeite waard de laatste vijf hoofdstukken van Job te lezen en de vele zwaarwichtige vragen die daar aan de mensen worden voorgelegd, op u te laten inwerken. Ofschoon we prat gaan op onze twintigste eeuw met haar wetenschappelijke vooruitgang, worden we nederig bij deze machtige vragen, evenals Job in zijn dagen. Hier volgen enkele uit hoofdstuk 38.

“Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt” “Wie heeft haar afmetingen bepaald?, Gij weet het immers! Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen?…Waar is de weg naar de woning van het licht? En de duisternis, waar is haar verblijf? Zijt gij doorgedrongen tot de schatkamers van de sneeuw? En hebt gij de schatkamers van de hagel gezien, die Ik Hebreeën opgespaard voor de tijd van benauwdheid, voor de dag van strijd en oorlog? Heeft de regen een vader? Of wie heeft de dauwdroppelen verwekt? Kunt gij de banden der Pleiaden binden, of boeien van de Orion slaken” Doet gij de tekens van de Dierenriem te rechter tijd opgaan, en bestuurt gij de Beer met zijn jongen? Kent gij de inzettingen des hemels, bepaalt gij zijn heerschappij over de aarde?”

In hoeverre heeft God de mens heerschappij over de aarde gegeven? Is de mens vrij te heersen over al wat hij ziet? Eén van Israëls Psalmisten vroeg: ”Wie zal de hoogte des Heren beklimmen?” De mens vleit zichzelf en hij gelooft dat hij de aarde door de macht van het zwaard kan overwinnen, en zo matigt hij zich het recht aan haar te verdelen in onbenullige Koninkrijkjes of van haar één wereldwijde slavenstaat te maken, al naar zijn eigen plannen. Maar de aarde is niet het bezit van de wispelturige mens om haar te gebruiken zoals ‘t hem belieft.

De grote Spurgeon zei:”Hij is slechts een leenman, die er ieder ogenblik uitgezet kan worden. De grote Landeigenaar en ware Eigenaar heeft Zijn hof boven de wolken en lacht om het eigendomsrecht dat de mens zich toe-ëigent”.

Bij de aanvang der Adamitische geschiedenis was het Gods bedoeling de mens te laten medewerken aan het beheer van alle dingen op de aarde. Daarom gaf Hij de mens de gelegenheid zich deze samenwerking van het beheer over al het geschapene op aarde waardig te tonen. Satan, die wegens rebellie tegen God uit de hemel was geworpen, begeerde zelf over de wereld te heersen. Hij maakte een plan om de mens te verleiden en hem aan God Diens Goddelijk plan te ontroven. God had van de mens niets gevraagd behalve liefde en samenwerking met Zijn eigen heilig plan. Satan echter, zag kans de mens ervan te overtuigen dat God gelogen had en dat Hij zeer begerenswaardige dingen achter hield, waar de mens recht op had. En zodoende faalde de mens. Hij gaf zijn beheer over de aarde aan satan en verloor zijn kans op medezeggenschap met God.

Bovendien bracht de zonde van de mens dood en wanhoop in de wereld. Sindsdien is satan de gesel der aarde geweest.

Jezus noemde hem “de prins dezer wereld” en ontkende zijn heerschappij niet, toen de duivel Hem alle koninkrijken der aarde toonde en zei: “Dit alles zal ik u geven, indien Gij u nederwerpt en mij aanbidt” (Mattheüs 4:9) Jezus sprak dus satans aanspraken toen niet tegen.

Hij wist, dat de mens zijn oorspronkelijke heerlijkheid en erfenis door de zondeval verloren had; onschatbare waarden waren verloren gegaan, die alleen door God Zelf ten koste van een enorme opoffering konden worden herwonnen. Jezus was gekomen als God in het vlees om dit geweldige offer te brengen. Maar Zijn ure was nog niet gekomen. En zo betwistte Hij in de wildernis der verzoeking satans aanspraak op de koninkrijken der wereld niet. Jezus wist ook, dat de regering van het kwaad niet zou eindigen ten tijde van Zijn Offer; ofschoon Zijn dood het verzoeningswerk en de verlossing voor altijd voleindigd had, zou satans macht gedurende het tijdsbestek, dat de mens vanaf den beginne vergund was, blijven voortduren. Er wordt naar het einde van deze speciale periode verwezen in “Daarom verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende dat hij weinig tijd heeft” (Openbaring 12:12).

Ongetwijfeld is deze profetie nu bezig in vervulling te gaan. Satans tijd raakt op. Daarom is de aarde vervuld met weergaloos geweld om zo in een laatste poging zijn heerschappij over de mens voor eeuwig te behouden. Satan zal kwade macht blijven uitoefenen tot de beloofde wederkomst van Christus en de grote heerlijkheid bewaarheid wordt. Tot het laatste moment van zijn aardse heerschappij zal de duivel de mens het recht om met God te regeren betwisten. Desondanks kan de mens zelfs nu satan overwinnen en de verloren staat herwinnen door in het verzoenende en verlossende werk van God in Jezus Christus te geloven. Wat een prachtige waarheid, waard om door iedereen aanvaard te worden!

Sprekende over de regering van Christus, komt deze vraag naar voren: waar zal die zijn? Is het waar dat het zowel materiële als geestelijke aspecten betreft? Of is het helemaal mystiek en onmaterieel zonder physieke of plaatselijke manifestaties? De gelijkenissen van onze Heer werpen licht op dit onderwerp. Verscheidene gelijkenissen in Mattheüs 13 handelen over zaad, zaaien en maaien. Telkens is het veld de wereld, de maaiers zijn engelen, de bozen worden weggenomen en de rechtvaardigen blijven om het werk van het Koninkrijk voort te zetten.

“De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven…”.

Evenzo in de gelijkenis van het Net. De engelen zullen uitgaan om de boze uit het midden der rechtvaardigen af-te-zonderen, en zij zullen hen in de vurige oven werpen..”

In Jezus’ leer over het Koninkrijk brengt Hij, hetzij in directe verklaringen, hetzij in afleidbare gelijkenissen, het Koninkrijk en zijn burgers altijd in verband met handelingen op de aarde. Laten wij ook mogen opmerken, dat Hij en Zijn engelen altijd uit de hemel naar de aarde komen om bepaalde dingen te doen. In Mattheüs 25 te beginnen bij vers 31, lezen we:

“Wanneer dan de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid, en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon Zijner heerlijkheid. En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan Zijn rechter Handelingen (Israël) en de bokken (heidenen) aan Zijn linker Handelingen. Dan zal de Koning tot hen, die aan Zijn rechter Handelingen zijn, zeggen; Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af…Dan zal Hij ook tot hen, die aan Zijn linker Handelingen zijn zeggen: Ga weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is”.

Let erop dat de bozen weggaan, maar de rechtvaardigen met de Koning in Zijn Koninkrijk blijven. In Mattheüs 24 vergelijkt Jezus Zijn komst met de dagen van Noach, zeggende:

“Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zó zal de komst van de Zoon des mensen zijn, Dan zullen er twee in het veld zijn, één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen en één achtergelaten worden. Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag Uw Here komt”.

De analogie is hier zo duidelijk, dat het vreemd is dat sommigen dit niet begrijpen.

In Noachs tijd werden de bozen weggenomen; Noach en zijn gezin bleven op de aarde om een nieuw tijdperk en een nieuwe beschaving te beginnen. Het zal evenzo gaan, als de Zoon des mensen komt, verklaart Jezus. De meesten onder ons hebben echter hun hele leven gemeend, dat Jezus bij Zijn wederkomst de rechtvaardigen naar de hemel zal meenemen en de bozen op aarde zal laten. Wat betreft twee in het veld en twee vrouwen die malen in de molen, veronderstellen de meeste Christenen, dat in elk van deze voorbeelden, de rechtvaardigen meegenomen worden naar de hemel en dat de bozen op de aarde gelaten worden. Het tegenovergestelde is echter het geval, zoals blijkt uit Jezus’ vergelijking van Zijn komst met de tijd van Noach.

Dit is een sprekend voorbeeld van de manier waarop satan de geesten en harten der mensen verblindt voor de waarheid. Wat zou de satan liever wensen dan dat de rechtvaardigen van de aarde weggenomen zouden worden en dat de bozen op de aarde zouden achterblijven? Als dat zou kunnen gebeuren, zou het betekenen dat Christus was afgetreden en Zijn Koninkrijk en Troon aan satan overliet voor alle komende eeuwen.

De engel Gabriël liet geen twijfel bestaan over de aard en plaats van Christus’ Koninkrijk, toen hij tot Maria sprak over Jezus’ geboorte, zeggende: “Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal Koning over het huis van Jacob heersen tot in eeuwigheid, en Zijn Koningschap zal geen einde nemen” (Lucas 1:32-33).

De heerschappij van Christus op aarde zal net zo werkelijk zijn als die van David. Davids Koninkrijk en troon waren juist gevestigd om de kern te vormen van Christus’ universele Koninkrijk op aarde. Jezus zei tot Zijn discipelen, dat zij moeten bidden om de komst van dit Koninkrijk, zodat Gods wil geschiede; gelijk in de hemel, alzo ook op aarde”.

In een profetie over de dag, waarop de Heer “alle volken tegen Jeruzalem ten strijde zal vergaderen; zei Zacharia:

“En de Here zal Koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de Here de enige zijn, en Zijn Naam de enige “ (14:2, 9).

In Openbaringen 11:15, kondigt het geschal van de zevende trompet de triomf van Christus’ Koninkrijk aan:
“Het Koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan Zijn Gezalfde (Israël) en Hij zal als Koning heersen tot in alle eeuwigheden”.

Wie zullen in de toekomst de aarde bewonen? De mensen zouden zich zeker meer voor deze vraag interesseren, als zij zich goed rekenschap gaven van hetgeen de Bijbel over dit onderwerp te zeggen heeft.

Hier volgen enkele aanhalingen, die deze vraag niet alleen beantwoorden, maar ook bevestigen wat er al over gezegd is.

In Spreuken 2:21-22, lezen we:

“Want de oprechten zullen het land bewonen en de vromen zullen daarin overblijven, maar de goddelozen zullen UIT het land UITGEROEID en de trouwelozen zullen ERUIT worden WEGGERUKT”.

En in Spreuken 10:30, is geschreven:

“De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet wankelen maar de goddelozen zullen de aarde NIET BEWONEN”.

Het was Jezus Zelf, Die zei:

“Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven”.

De aarde moet dus als een erfenis voor Gods volk blijven bestaan, daar de zachtmoedigen de aarde niet kunnen beërven, als die zou worden vernietigd. Het onderwerp van de beërving brengt ons ertoe Israëls plaats in Gods verlossende plan te beschouwen. In Deuteronomium 7:6: waar Mozes de Israëlieten het belang van raszuiverheid voorhoudt, zegt hij tot hen:

“Want gij zijt een volk, dat de Here uw God heilig is; U heeft de Here uw God uit alle volken op de aarde uitverkoren om Zijn eigen volk te zijn”.

In Salomo’s gebed bij de inwijding van de Tempel, smeekte hij God Israëls zonden te vergeven:

1 Koningen 8:53. “Want Gij hebt hen U ten erfdeel afgezonderd uit alle volken der aarde, zoals Gij gesproken hebt door de dienst van Uw knecht Mozes, toen Gij onze vaderen uit Egypte hebt geleid, Here, Here”.

Dit afgezonderde Israëlitische volk zijn de ware Christenen in de wereld heden ten dagen. Zij moeten NOOIT verward worden met een handjevol agressieve Joden, die Christus verwerpen en die nu valselijk het erfdeel van ALLE Israëlitische stammen opeisen. In 2.Koningen.5:15 staat een merkwaardige opmerking van Naäman de Syriër, nadat hij van zijn melaatsheid was genezen door de bevelen van de profeet Elisa op te volgen. Zij luidt als volgt:

“Daarop keerde hij (Naáman) terug tot de man Gods, hijzelf met zijn gehele gevolg; en bij hen gekomen, ging hij voor hem staan en zeide; “Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in Israël”

Denk hier eens over na: denkt u dat het net zo waar zou zijn om te zeggen: er is geen God op de gehele aarde behalve in het Jodendom?

Met het visioen voor ogen van Christus op de Troon van Zijn Koninkrijk, juicht de Psalmist: Psalm 47.
“Alle gij volken, klapt in de handen, juicht Gode toe met jubelgeroep, Want de Here, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over de ganse aarde. Hij brengt volken onder ons, (Israël) natiën onder onze voeten; Hij kiest ons erfdeel voor ons uit, de trots van Jakob, dien Hij liefheeft…Want God is de Koning der ganse aarde; psalm zingt met een kunstig lied. God regeert over de volken; God is gezeten op Zijn Heilige Troon. De edelen der volken zijn bijeenvergaderd, als volk van Abrahams God, want Godes zijn de schilden der aarde; Hij is hoog verheven”.

Volgens Openbaring 5:9-10 zullen de getrouwen met Christus mogen regeren:
“En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor God gekocht met Uw bloed, UIT (Niet van) elke stam en taal en volk en natie en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een Koninkrijk en tot priesters en zij zullen als koningen heersen op de aarde”

(Israël de 10 verloren stammen waren verstrooid onder alle volken en natiën zonder hun identiteit te kennen, maar eenmaal zal hun het identiteitslicht opgaan in hun harten. Want Openbaring 5:9-10 is een aanhaling van 1.Petrus 2:9-10.

“Gij echter zijt een uitverkoren geslacht (sperma), een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”.

Zie ook Deuteronomium 7:6.

Het alom verspreide geloof in de vernietiging van de aarde is voornamelijk te wijten aan verkeerd begrip 2.Petrus 3. Tot deze conclusie is men gekomen bij het lezen van vers 10, zonder op de voorafgaande verzen te letten. Vers 10 luidt als volgt:

“Maar de dag des Heren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan en de aarde en de werken daarop verbranden (of zullen gevonden worden, een andere vertaling)”.

Terwijl Petrus dit hoofdstuk schreef, dacht hij aan Jezus’ gezegde, dat zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn,- en schreef in de verzen 3-7.

“Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen en zeggen: “Waar blijf de belofte van Zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo als het van het begin der schepping af geweest is. Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het Woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen”.

Het is duidelijk dat Petrus de gebeurtenissen van Christus’ Wederkomst vergelijkt met de dagen van Noach, toen een verdorven civilisatie werd vernietigd, maar niet de aarde zelf; daarom zegt Petrus, dat, zoals de aarde ten tijde van Noach GEREINIGD werd door water, zij op de dag van Christus’ Wederkomst gereinigd zal worden door vuur. En zonder acht te slaan op het verbond met de mensheid de decors voor de holocaust met atoom en waterstofbommen; want deze dingen zijn “blijkbaar” ten vuren bewaard tegen de dag van het oordeel en de ondergang der goddeloze mensen”.

Bij het zorgvuldig lezen en coördineren der Schriften zal blijken, dat de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, waarover in de Openbaringen wordt gesproken, zullen worden gemaakt door herstel, niet door schepping. Zoals Petrus het zei in één van zijn preken:

Handelingen 3:20-21. “En Hij zal gezonden hebben Jezus Christus, Die u te voren gepredikt is: welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van alle zijne heilige profeten van alle eeuw”.

Satan zal gedurende de Duizendjaige regering van Christus worden gebonden, maar hij zal niet vernietigd worden, tot aan het eind van die periode zal geschieden, wat in Openbaringen 20 wordt beschreven, waarna het paradijs herwonnen zal zijn, zoals Openbaring 22 die beschrijft.

Wij hebben toevalligerwijs in deze studie vastgesteld dat er leven is in hemelse gewesten buiten de aarde. De planeten in ons zonnestelsel mogen dan niet bewoond zijn volgens sommige astronomen, maar de Schriften bevatten overvloedige bewijzen, dat er ergens in de hemelen leven is. In de nacht van Jezus’ verraad, toen Petrus zijn Meester met het zwaard wilde verdedigen, zei Jezus tot hem:

“Of meent gij dat ik mijns Vader nu niet kan bidden en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?”

Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het alzo geschieden moet? Het woord “nu” wijst er op, dat de engelen zo dichtbij waren, dat ze dadelijk ter beschikking waren. Na de opstanding stond Maria Magdalena bij het graf te wenen. Jezus verscheen en zei tot haar:

“Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader, maar ga henen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God” (Johannes 20:17).

Gedurende de volgende veertig dagen toonde Jezus Zich.
“Met vele gewisse kentekenen” (Handelingen 1:3.

Hij werd verscheidene malen door Zijn discipelen en vele anderen gezien. In 1 Korintiërs 15:6, zegt Paulus:
“Hij is gezien van meer dan vijf honderd broeders op éénmaal”.

De derde maal dat Jezus Zich, nadat Hij was verrezen uit de dood, aan Zijn discipelen vertoonde, ontmoette Hij hen aan de oever van het meer, waar Hij een ontbijt van vis en brood had bereid voor hen. Toen Hij Zich bij de twee vrienden, die op weg naar Emmaus waren, voegde, gaven zij Hem een stuk van een gebraden vis en van honingraten en Hij nam het en at het voor hun ogen (Lucas 24).

Deze dingen zijn erg interessant en belangrijk. Zij bewijzen dat het opgestane lichaam van onze Heer zowel materiële als geestelijke eigenschappen had en zij bewijzen ongetwijfeld dat Jezus en de engelen zich snel tussen de hemelse en aardse sferen bewegen en zij getuigen dat er een bewoonbare plaats is buiten het gezichtsvermogen van ons, aan de aarde gebonden mensen. Job maakte de opmerking: “Hij breidt het Noorden uit over het woeste. Hij hangt de aarde aan een niet”.

Astronomen weten ons te vertellen dat er een uitgestrekt gebied in de Noordelijke hemel is, die een stille “lege” plaats lijkt, waar geen enkel licht van een ster schijnt, die Gods geheimenissen onthult, die zich daar misschien bevinden. We weten, dat er een gedeelte van de hemelse ruimte, behorende bij de aarde, bewoond is. God woont daar – en de engelen.

Jezus Christus de Koning, wacht daar, onzichtbaar voor de speurende ogen der mensen, tot De Grote Dag van Zijn Wederkomst zal zijn aangebroken. Het feit dat jonge mannen tegenwoordig zo nieuwsgierig worden naar wat zich in de hemelen bevindt, en zo vurig begeren de verste ruimte te doordringen, Koningen wel eens het naderen van een heerlijk nieuw tijdperk betekenen. Velen willen niets liever dan zo spoedig mogelijk proberen de maan, de planeten of de verste einden van het universum te bereiken.

“Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; Want wij zullen Hem zien gelijk Hij is” (1 Johannes 3:2).

Een verkeerspiloot schreef in een brief aan een predikant in Fort Worth: “Ik Hebreeën me nooit gerealiseerd, wat God voor iemand kan betekenen, totdat ik in de eindeloze uitgestrektheid van het luchtruim had gevlogen en de frisse lucht van het firmament had ingeademd, ver weg van de menselijke afhankelijkheid van fysische dingen. Ik werd tijdens mijn vluchten de nabijheid en liefde gewaar van een Opperwezen, meer dan ik dat op de aarde had gekund. Ik ben tot de stellige overtuiging gekomen, dat er Geleidende Geest is die mij leidt, al zal ik dan misschien nog dikwijls de juiste weg kwijtraken. Ik Hebreeën medelijden met de mensen die aan de aarde gebonden zijn en die nooit het voorrecht hebben ervaren, geheel in eenzaamheid gemeenschap met het Oneindige te hebben”.

Het lijkt waarschijnlijk dat onze planeet een blijvende plaats in Gods grote heelal heeft en dat haar bestemming is verbonden met Zijn eeuwige plan. De wijze Prediker zei het aldus:

“Het éne geslacht en het andere geslacht komt, maar de aarde staat in eeuwigheid” (Prediker 1:4).

Voor het eerst hier?

Er is veel content op deze website. Dit kan alles een beetje verwarrend maken voor veel mensen. We hebben een soort van gids opgezet voor je.

800+

Geschreven blogs

300+

Nieuwsbrieven

100+

Boeken vertaald

5000+

Pagina's op de website

Een getuigenis schrijven

Schakel JavaScript in je browser in om dit formulier in te vullen.
Naam
Vink dit vakje aan als je jouw getuigenis aan ons wilt versturen, maar niet wilt dat deze op de lijst met getuigenissen op deze pagina wordt geplaatst.

Stuur een bericht naar ons

Schakel JavaScript in je browser in om dit formulier in te vullen.
Naam
=