Johannes Calvijn
Martin Luther kwam uit het katholicisme, maar het katholicisme kwam niet uit Martin Luther. Luther begon gewoon zijn eigen anti christelijke sekte als een vervangende religie voor gefrustreerde katholieken. De heer Luther was een ketter. Hetzelfde kan zeker gezegd worden van Johannes Calvijn. Waarom voelen zoveel mensen zich gedwongen om zich aan te sluiten bij door mensen gemaakte religies in plaats van zelf het Woord van God te bestuderen? Jezus zei ons in Johannes 5:39 om DE SCHRIFTEN TE ONDERZOEKEN!
Calvijn onderwees wedergeboorte door de doop
Luister naar de ketter Johannes Calvijn die wedergeboorte door de doop onderwijst (d.w.z. de onbijbelse leer dat een persoon met water gedoopt moet worden om naar de hemel te gaan). Johannes Calvijn was zeer katholiek in zijn leerstellingen…
“Overweeg Calvijn: ”Maar aangezien de doop een plechtige erkenning is waarmee God zijn kinderen in het bezit van het leven [bijv. wedergeboorte] brengt, een ware en effectieve verzegeling van de belofte, een belofte van heilige vereniging met Christus, wordt terecht gezegd dat het de toegang tot en de ontvangst in de kerk is. En aangezien de instrumenten van de Heilige Geest niet dood zijn, verricht en bewerkstelligt God door de doop werkelijk wat hij voorstelt.” Elders schreef Calvijn: “Er is een verbintenis die complementair is aan hetgeen wordt voorgesteld, opdat het teken niet leeg zou zijn, want wat de Heer in het teken voorstelt, brengt Hij tegelijkertijd tot stand en voert Hij in ons uit door de kracht van de Geest… Wat nemen we God eigenlijk weg of ontnemen we Hem wanneer we leren dat Hij door zijn instrumenten werkt, ja, Hij alleen… God werkt… door de sacramenten als instrumenten… De Geest is de auteur, het sacrament is werkelijk het instrument dat wordt gebruikt.” —BRON
De Schrift leert nergens dat water iemand wedergeboren maakt. Waterdoop is een menselijk ritueel dat je slechts nat maakt en zelf geen enkele kracht heeft om iemand te veranderen. Het idee dat redding door water komt, is later ontstaan in kerkelijke tradities, maar Johannes de Doper zelf maakte al duidelijk dat zijn waterdoop slechts een voorbereidend teken was voor iets dat nog komen zou — een voorafschaduwing van een veel grotere werkelijkheid. Hij stond op de overgang van een oud tijdperk naar de komst van de Messias en wist dat zijn handeling slechts tijdelijk was.
“Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik… Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.” (Mattheüs 3:11)
De “Heilige Geest” is geen mysterieus bovennatuurlijk wezen, maar heilige inspiratie, heilige gezindheid, een apart gezette geesteshouding die God in Zijn volk werkt. “Heilig” betekent immers “afgezonderd”, “apart gezet”. De doop met de Heilige Geest waar Johannes over spreekt, is dus de innerlijke vernieuwing van denken, motivatie en inzicht. Dit is geen ritueel dat door mensenhanden plaatsvindt, maar een werk van God in het verbondsvolk. De vuurdoop is eveneens geen emotionele ervaring, maar een zuiverend oordeel, het wegnemen van het kaf binnen het volk, en de bevestiging van het ware koren dat behouden wordt voor het Koninkrijk.
“Wiens wan in Zijn hand is; en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in de schuur samenbrengen, maar het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.” (Mattheüs 3:12)
Hier legt Johannes zelf de betekenis uit van de vuurdoop: het is de reiniging van Israël, niet een doop met water. Water symboliseerde slechts wat komen zou. De echte reiniging is in ons denken en moreel, niet ritueel. Het gaat om een nieuw hart, een nieuwe ingesteldheid, een vernieuwde inspiratie of denkwijze in het volk.
De uitspraak van Johannes de Doper wordt vaak gelezen alsof het “vuur” hier vernietiging betekent, maar dat doet geen recht aan het Bijbelse gebruik van dat woord. In de Schrift staat vuur heel regelmatig voor reiniging, zuivering, wegbranden van het waardeloze, zodat het kostbare overblijft. Denk aan het zuiveren van goud en zilver: het metaal wordt niet vernietigd, maar juist waardevol gemaakt doordat de onzuiverheden eruit verbranden.
Wanneer Johannes zegt dat Christus Zijn dorsvloer zal reinigen, schetst hij een beeld uit de landbouw. De tarwe wordt verzameld — dat zijn degenen die bruikbaar zijn, mensen die vrucht dragen. Het kaf — het lege, lichtgewicht spul zonder inhoud — wordt in het vuur geworpen. Niet om mensen weg te vagen als afval, maar om alles wat nutteloos, leeg, of verkeerd is te laten verbranden, zodat datgene wat wél waarde heeft kan blijven bestaan. Het is een proces dat in heel de Bijbel voorkomt: God haalt door vuur heen wat niet bij Hem past.
Dat vuur wordt “onuitblusselijk” genoemd, niet omdat het een soort eeuwige marteling zou zijn, maar omdat niemand het kan tegenhouden. Het is Gods eigen zuiverende werk. Als Hij iets reinigt, kan geen mens of macht dat proces stoppen. Het vuur wordt niet gedoofd voordat het gedaan heeft waarvoor het is gezonden.
Kort gezegd: het vuur richt zich niet op het vernietigen van de mens, maar op het vernietigen van het kaf in de mens — dat wat geen waarde heeft, dat wat ons belemmert, dat wat niet overeenkomt met Zijn wil. Zo maakt Hij Zijn volk zuiver, net zoals op de dorsvloer alleen de tarwe overblijft.
De waterdoop van Johannes had dus uitsluitend betekenis in die overgangsperiode. Het was een teken van nationale bekering, een oproep tot Israël om zich voor te bereiden op de komst van hun Koning. Het had niets te maken met individuele wedergeboorte of persoonlijke verlossing. Het was een profetische handeling die verwees naar de vervulling die door Christus zelf gebracht zou worden. Daarom verdwijnt de waterdoop zodra Christus Zijn werk volbrengt, net zoals de overige rituele gebruiken van het oude bestel: de wassingen, de offerdiensten en de tempelvoorschriften. Ze waren allemaal schaduwen van de werkelijkheid die komen zou.
“Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen…” (Hebreeën 10:1)
Zo was ook de waterdoop een schaduw, geen bron van redding. De vernieuwing van het volk komt niet door water, maar door de innerlijke omkeer die God werkt. De heilige inspiratie — de “Heilige Geest” — is wat het denken verandert, wat het hart richt op recht en waarheid, en wat Israël terugbrengt tot zijn roeping. En het vuur — Gods oordeel en zuivering — neemt het kaf weg uit het volk.
Daarom was Johannes ook scherp tegen de Farizeeën. Zijn doop was bedoeld voor het verbondsvolk, niet voor indringers die geen deel hadden aan Jakob-Israël. Zijn doop had geen enkele kracht voor hen, omdat het teken verwees naar een verbond waar zij niet bij hoorden.
Toen Christus Zijn werk volbracht, bracht Hij de werkelijkheid: geen water, maar geest en vuur. De ware doop is de innerlijke vernieuwing die de mens apart zet voor Gods dienst en het volk zuivert voor Zijn Koninkrijk. Waterdoop is dus theologisch leeg in deze tijd; het hoort bij de schaduw, niet bij de vervulling.
De vernieuwing van hart, de heilige inspiratie die God geeft, en de zuivering van het volk — dát is de echte doop, en dat komt niet door een ritueel in water, maar door de Koning Zelf die Israël herstelt.
Calvijn leerde beperkte verzoening
Johannes Calvijn leerde ten onrechte dat Jezus alleen stierf voor de reeds “geredden”. Charles Spurgeon nam dat over, maar het is niet naar de Schrift. De Bijbel leert niet een algemene of beperkte verzoening, maar de verzoening van God met Zijn volk Israël. Het was Israël dat de wet ontving, en het was Israël dat diezelfde wet overtrad. Daarom is de vergeving ook aan hen beloofd.
Of mensen dat aanvaarden of niet, het Woord van God is onze enige autoriteit — niet Calvijn, niet Spurgeon, en geen menselijk systeem. In 1 Johannes 2:2 staat: “En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van het gehele huis Israëls.”
En in 2 Korinthe 5:15 lezen wij: “En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.”
De apostel Paulus schreef in 1 Timotheüs 1:15: “Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.”
De Schrift maakt duidelijk dat het doel van Christus’ komst was om de overtreding van Zijn volk te dragen en te verzoenen — niet om een nieuwe religie te beginnen, maar om het verbond te herstellen.
Petrus zegt: “De Heere vertraagt de belofte niet, gelijk enigen dat achten, maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen” (2 Petrus 3:9). Deze woorden zijn gericht tot Israël: God wil dat Zijn volk terugkeert tot Hem, opdat het Koninkrijk hersteld wordt.
Het calvinisme is GEEN bijbelse leer
Calvijn was een ketter die leerde dat God mensen voorbestemt tot verlossing. Calvijn leerde “selectieve verlossing” (of “onvoorwaardelijke uitverkiezing”), waarbij God selecteert wie er gered zal worden en wie niet. Dit zijn satanische ketterijen. Calvijn leerde ook “onweerstaanbare genade” (de leugen dat God een persoon dwingt om gered te worden).
Veel moderne predikers dwalen vandaag zo ver af, dat ze het zelfs niet meer nodig vinden om het evangelie te brengen. Ik hoorde eens een evangelische predikant beweren dat het winnen van zielen eigenlijk overbodig is, omdat God toch wel beslist wie gered wordt en wie niet. Zo’n man heeft niets begrepen van de Schrift. Hij had geen vuur, geen roeping, geen besef van verantwoordelijkheid — alleen de oude dwaling van Calvijn om zijn gemakzucht te rechtvaardigen.
De Schrift spreekt heel anders. Spreuken 11:30 zegt: “De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en die zielen vangt, is wijs.”
Deze tekst heeft niets te maken met een moderne “christen”-categorie, maar spreekt vanuit het verbond en de roeping van Israël. Het gaat over wijsheid, verantwoordelijkheid en het uitvoeren van onze taak binnen het volk.
Calvinisten stellen dan: “Als God toch voorbestemt, waarom zouden we dan zielen winnen?”
Dat is geen bijbelse houding, maar ongeloof. Het verbond legt verantwoordelijkheid op de schouders van het volk — niet om mensen te “redden” in de evangelische zin, maar om het Woord te verkondigen, het volk te onderwijzen en hen terug te roepen tot de God van Israël.
Want het gaat niet om behouden of niet behouden. Israël is reeds het verbondsvolk. Het offer van Jezus was over het hele huis van Israël — gelovig én ongelovig. Wij leven nu in de tijd van de uitverkiezing van het regeringslichaam, niet in de tijd van de nationale bekering. Die bekering komt pas bij de verschijning van onze Koning. Tot die tijd blijft de opdracht gewoon staan: het volk onderwijzen, wakker schudden en terugroepen naar de Wet en het Getuigenis.
En daar heeft Spreuken het over — niet over een evangelisch clubje, maar over de verantwoordelijkheid van het verbondsvolk tegenover zijn eigen huis.
Sommigen vragen waarom Paulus in Handelingen 20:20 “van huis tot huis” ging, of waarom Jezus in Mattheüs 28:19-20 de opdracht gaf om alle volken te onderwijzen. Dan zeggen ze: “Zie je wel, dat is bedoeld om zielen te winnen, want ieder mens moet zelf kiezen of hij gered wil worden.” Maar dat is een evangelische aanname die niets te maken heeft met de Schrift, het verbond, of de historische context.
Paulus ging niet van deur tot deur om “zieltjes te winnen” zoals moderne evangelisten dat gebruiken. Hij onderwees het volk van het verbond — het huis van Israël — waar hij hen ook maar vond. Jezus gaf geen opdracht om losse individuen voor een hel te redden. Hij gaf opdracht om de volken (de natiën van Israël) te onderwijzen in Zijn geboden. Het ging nooit om eeuwige verdoemenis, want dat hele idee van een heidense vuurhel komt niet uit de Schrift, maar uit mythologie.
En dan wordt er gezegd dat Jezus probeerde “de goddeloze schriftgeleerden en Farizeeën te bekeren.” Onzin. Jezus probeerde hen helemaal niet te winnen. Hij noemde hen adderengebroed, blinde leidslieden, kinderen van hun vader, de satan (Joh. 8:44). Dat is geen evangelisatie — dat is ontmaskering. En waarom? Omdat die Farizeeën geen afstammelingen waren van Jakob-Israël. Zij stonden buiten het verbond, buiten het huis, en dat lieten hun werken duidelijk zien. Jezus was niet bezig hen te redden, Hij stelde ze bloot als indringers.
Stefanus predikte niet omdat de menigte “nog gered kon worden.” Hij predikte omdat hij de waarheid moest spreken tot het verbondsvolk — en onder dat volk zaten harde en niet-harde harten, precies zoals in de gelijkenis van het zaad. De roeping is: zaaien. Niet: manipuleren tot “keuzemomenten”.
De vroege apostelen bleven prediken nadat Jakobus door Herodes was gedood, niet omdat ze geloofden dat iedereen individueel een vrije keuze had tot redding, maar omdat ze wisten dat het Woord tot het huis van Israël moest gaan — verspreid in de natiën.
Het idee dat “God niet kiest wie er wordt gered” is in strijd met de hele Schrift. De vraag is alleen: gered waarvan? Niet van een heidense hel, want die bestaat niet.
God verkiest niet wie er al dan niet het verbond binnenkomt — dat heeft Hij al gedaan in Abraham, Isaak en Jakob. Wat Hij wél verkiest, is het regeringslichaam: de eerstelingen, het Koninklijke Priesterschap. Dat is de uitverkiezing van deze tijd.
Dus nee, het evangelie ging niet uit om “alle mensen een kans te geven.” Het ging uit om de schapen van het huis van Israël te bereiken, waar ze ook waren verstrooid, en om hen terug te roepen tot de Wet, het Verbond en de Koning.
Het is duidelijk dat Calvijn enigszins katholiek was. Hier volgt een greep uit wat Johannes Calvijn geloofde…
“Gods kerk en de sacramenten zijn ook gegeven in Gods genade voor de opbouw van de uitverkorenen en het welzijn van de wereld. De kerk, die door alle tijden heen één is, kan worden herkend aan de prediking en het horen van Gods Woord en de juiste bediening van de sacramenten. Hoewel alleen God de ware kerk kent, is de zichtbare kerk op aarde er nauw mee verbonden. Ambtsdragers en leiders in de kerk moeten personen zijn die op verantwoorde wijze trachten het christelijk discipelschap te volgen, maar hun gezag kan niet afhangen van hun gerechtigheid. De ambten mogen alleen die zijn welke in het Nieuwe Testament zijn aangewezen. De sacramenten (de doop en de eucharistie) moeten worden gevierd als mysteries waarin Christus geestelijk aanwezig is; in de eucharistie geloofde hij dat Christus zowel symbolisch als door zijn geestelijke kracht aanwezig is, die door zijn lichaam in de hemel wordt overgedragen op de zielen van gelovigen wanneer zij deelnemen aan de eucharistie. Dit standpunt, dat “dynamische aanwezigheid” wordt genoemd, neemt een middenpositie in tussen de leerstellingen van Luther en Zwingli.
BRON: 1996 Grolier Multimedia Encyclopedia, Copyright 1996 Grolier Interactive, Inc. en Microsoft Encarta 98 Encyclopedia, Copyright 1993-1997 Microsoft Corporation.
Het calvinisme is GEEN bijbelse leer, maar een systeem van menselijke filosofie (humanisme) dat de trotse geest aanspreekt. Het calvinisme behoort tot het domein van de menselijke filosofie. Bedenk eerst dat wat we hier bespreken “Calvin-ISME” wordt genoemd. Het zijn slechts de meningen van één man.
Dr. Loraine Boettner zegt: “Het was Calvijn die dit systeem van theologische gedachten met zo’n logische helderheid en nadruk heeft uitgewerkt dat het sindsdien zijn naam draagt.” Dat is een grote leugen. Wilt u mij vertellen dat gelovigen 1500 jaar lang onwetend waren over het Woord van God, totdat Calvijn kwam? Hoe vreemd is het dat na 1500 jaar christendom vrijwel niemand de Bijbel had begrepen als een leer van Calvijns voorbestemming, totdat hij deze filosofie introduceerde. Wat een vreemd verborgen leerstelling… dat de christenen uit het Nieuwe Testament op de een of andere manier bijna 1500 jaar sinds Christus zonder Calvijns leerstellingen hebben overleefd, tot de dagen van de reformatoren toen Calvijn de leerstelling volledig ontwikkelde. Dat is waanzinnig! Dr. Boettner verafgoodt de heer Calvijn, maar de Bijbel noemt Calvijn een leugenaar en een ketter.
De Bijbel is altijd duidelijk geweest over de leer. Niemand had problemen om de waarheid over verlossing te vinden voordat Calvijn kwam. De Bijbel is ook duidelijk over de bijbelse leer. God heeft de koekjes van de waarheid op de onderste plank gelegd zodat we erbij kunnen; we hebben Calvijns trapladder (of die van iemand anders) niet nodig.
Ketters proberen ons altijd te overtuigen dat de waarheid ver boven ons hoofd ligt, buiten ons bereik, en dat we hen nodig hebben om ons te helpen de waarheid te verkrijgen. 1 Johannes 2:27 luidt: “Maar de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u onderwijst; maar zoals dezelfde zalving u alles leert, en zij is waarheid en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, zult u in Hem blijven.” Het enige wat we nodig hebben is het Woord van God en de Heilige Geest om ons te onderwijzen.
Calvijn was een tirannieke monster
Laat God waarachtig zijn, maar ieder mens een leugenaar
Romeinen 3:4 verklaart: “… laat God waarachtig zijn, maar ieder mens een leugenaar…” Het is betreurenswaardig dat zoveel belijdende gelovigen dezelfde fout maken die de apostel Paulus de gelovigen in Korinthe verweet: “Nu verzoek ik u, broeders, bij de naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt en dat er geen verdeeldheid onder u is, maar dat u volkomen eensgezind bent in dezelfde gedachte en in hetzelfde oordeel. Want mij is over u, broeders, door degenen uit het huis van Chloe, verteld dat er twistzaken onder u zijn. Nu zeg ik dit, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Cephas, en ik van Christus. Is Christus verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of bent u in de naam van Paulus gedoopt? Ik dank God dat ik niemand van u gedoopt heb, behalve Krispus en Gaius, opdat niemand zou zeggen dat ik in mijn eigen naam gedoopt heb” (1 Korintiërs 1:10-15). Ik ben GEEN arminiaan of calvinist, noch luthers.
Spurgeon en het calvinisme
Veel christelijke stromingen gebruiken Spurgeon alsof hij een soort mini-Calvijn was, maar Spurgeon begreep Calvijns leer van “onvoorwaardelijke uitverkiezing” helemaal niet. Wat Spurgeon verdedigde, ging niet over voorbestemming zoals Calvijn het bedoeld heeft, maar over iets heel anders: hij verzette zich tegen het idee dat mensen zichzelf zouden kunnen redden. Daar had hij gelijk in. De Schrift maakt duidelijk dat redding — verlossing uit zonde, dood en ballingschap — volledig bij God ligt en nooit uit menselijke kracht komt.
Dat is ook precies wat Jezus zegt in Marcus 10:25-27: bij de mens is het onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Dat is geen pleidooi voor evangelische “keuze-theologie”, maar een bevestiging van Gods handelen binnen Zijn verbondsvolk.
Spurgeon was geen calvinist in de strikte zin. Hij geloofde dat “ieder die wil” tot Christus kon komen — maar dat idee past totaal niet binnen de calvinistische leer. Romeinen 10:13 wordt dan gebruikt als evangelische leuze: “een ieder die de naam des Heeren aanroept.” Maar dit gaat over het volk, niet over losse individuen die zogenaamd hun eigen eeuwige bestemming bepalen. Het is een nationale roep: Israël moet terugkeren.
Hetzelfde geldt voor Johannes 6:44. Niemand komt tot de Zoon tenzij de Vader hem trekt — maar dit gaat over het huis van Israël, de schapen die Hij verzamelt uit de verstrooiing. Het zegt niets over individuen die zogenaamd in een hemel-hel-systeem terechtkomen.
Calvinisten maken er vervolgens een menselijke selectieleer van, alsof God individuen aanwijst voor redding of verdoemenis. Dat hele schema is heidens van structuur en totaal los van het verbond. De Schrift leert namelijk nergens dat God mensen uitkiest om gered te worden. Hij kiest een volk, en binnen dat volk verkiest Hij een regeringslichaam — de eerstelingen, het priesterschap, de geheiligden.
Titus 2:11 zegt dat Gods genade “aan alle mensen” verschenen is. Dat betekent: aan het héle volk, niet slechts een fractie. De verzoening is over Israël, gelovig en ongelovig. Dat heeft niets te maken met selectieve verlossing of een “offer alleen voor de uitverkorenen”.
Calvinisme en hypercalvinisme dwalen volledig wanneer zij leren dat God bepaalt wie wel en niet behouden wordt. De Schrift zegt niet dat mensen voorbestemd zijn om gered te worden, maar dat zij voorbestemd zijn om gelijkvormig te worden aan het beeld van de Zoon (Romeinen 8:29). Dat gaat over het regeringslichaam — niet over wie er wel of niet “in de hemel komt”.
Spurgeon begreep dat deels: hij geloofde dat verlossing Gods werk was, maar hij bleef ook gevangen in evangelische denkbeelden zoals “ieder die wil, kan komen”. Daardoor zit hij precies tussen twee systemen in — en beide systemen zijn op zichzelf al gebrekkig. Arminianisme leert dat je redding kunt verliezen; calvinisme leert dat verlossing beperkt en selectief is. De Schrift leert beide niet.
De verlossing van Christus is universeel binnen het verbond: Hij stierf voor het hele huis van Israël. Dat is geen “beperkte verzoening” maar verbondsverzoening.
1 Johannes 2:2 zegt dat Hij de verzoening is “voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de hele wereld.”
De evangelische wereld leest daar “alle mensen op aarde” in; de Schrift bedoelt: heel Israël verspreid onder de natiën.
Calvinisme noemt selectieve verlossing een bijbelse leer. Maar God gebiedt alle mensen (dat wil zeggen: alle stammen en huishoudens van Israël) zich te bekeren (Handelingen 17:30). Waarom zou Hij dat doen als Hij vooraf individuen zou aanwijzen voor redding? Dat is theologisch onzinnig.
Wanneer Petrus zegt dat God “niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen” (2 Petrus 3:9), dan spreekt hij tot het volk — Gods huis — dat teruggeroepen wordt tot zijn identiteit en roeping.
Het christelijke debat tussen arminianisme en calvinisme is dus één groot misverstand. Beide systemen vertrekken uit de verkeerde vooronderstelling: dat “redding” een individuele eeuwige-statuskwestie is. En dat is precies de fout.
Het offer van Christus was over heel Israël. De uitverkiezing is voor het regeringslichaam. De roeping van het evangelie is onderwijs, herstel en terugkeer, geen zielwinning. En de hel-leer is een heidense toevoeging die de hele discussie vergiftigt.
Spurgeon zat dichter bij de waarheid dan Calvijn — maar hij bleef binnen een systeem dat de Schrift nooit leert.
Calvijns dwaasheid
Calvijn schreef de “Instelling der christelijke religie” toen hij slechts 27 jaar oud was, in een bewogen tijd in de geschiedenis waarin behoefte was aan een georganiseerde theologie. Calvijn heeft zoveel mensen misleid dat velen het werk “Instelling” nog steeds beschouwen als het meest invloedrijke boek over theologie in de kerkgeschiedenis. Men vraagt zich af wat zijn geschriften in de harten en gedachten van mensen hadden kunnen bewerkstelligen als hij werkelijk de liefde van Jezus had gehad. Zijn nadrukkelijke benadrukking van de ontzagwekkende majesteit en gerechtigheid van God bracht hem ertoe om met evenveel strengheid de volstrekte waardeloosheid van de gevallen en zondige mens te benadrukken. Hij leerde het geloof dat wij machteloos zijn in de verlossing, het geloof dat de verlossing van de mens uitsluitend op genade berust, maar alleen voor de uitverkorenen. Omdat de mens gevallen is en het menselijk intellect vervormd is en het instrument van zijn zonde is geworden, zijn de gevolgen van de natuurlijke theologie afgodisch.
De volgelingen van Calvijn leefden in de waan dat de geest van Christus in hen werkte en hen naar de volmaaktheid leidde waartoe God hen had geroepen. De leerstellingen van Calvijn neigden naar perfectionisme en eisten strenge controle over privé- en sociaal gedrag. Calvijn had nooit de nederigheid om te erkennen dat mensen zoals hij, die door de wet gerechtvaardigd willen worden, uit de genade zijn gevallen. Calvijn was zeker niet gered.
In alle essentiële opzichten was Calvijns staat een theocratische dictatuur. In tegenstelling tot de leer van Jezus ging hij uit van het bestaan van een kapitalistisch economisch systeem voor de samenleving en baseerde hij zijn ethiek daarop. Net als de lauwe kerk van vandaag identificeerde hij goede werken met het vergaren van rijkdom. Volgens deze perverse logica verdeelt God rijkdom en armoede naar eigen goeddunken. Het is niet de verdienste van de mens of zijn zware arbeid die iemand rijkdom oplevert, maar Gods genade, en rijkdom wordt gegeven als bewijs van Gods gunst.
Over de volharding van de heiligen
In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, leerde Johannes Calvijn helemaal niet over eeuwige zekerheid. Calvijn benadrukte dat gelovigen moeten volharden in het geloof om in genade te blijven. Hij geloofde dat de uitverkorenen zullen volharden in het geloof en in genade zullen blijven tot de uiteindelijke definitieve verlossing. Deze verdoemelijke ketterijen staan ver af van de leer van de Bijbel. Het feit dat het calvinisme vereist dat een heilige tot het einde toe “volhardt”, is een verdoemelijke ketterij. Eeuwige zekerheid is het behoud van de heiligen, NIET het volharden van de heiligen. “Volharden” is werken voor verlossing. De sekte van het Zevende-dags Adventisme leert op dezelfde manier dat een persoon niet kan WETEN dat hij gered is tot het laatste oordeel. Bijbelse verlossing is onmiddellijk en voor altijd, NIET afhankelijk van iets. Helaas leert zelfs het Leger des Heils deze verfoeilijke ketterij (geloofsartikel # 9 in hun officiële geloofsverklaring).
Deze leer is misleidend, omdat zij het ware geschenk van leven verduistert. Het leven dat God belooft is geen vaag eeuwig bestaan in de hemel, maar de wederopstanding tot leven in Zijn Koninkrijk. Dat is het geschenk van de Eeuwige — vrij en onverdiend — aan Zijn volk en aan het regeringslichaam dat met Christus zal heersen.
Een geschenk is volledig om niet, er zijn geen voorwaarden of wachttijd aan verbonden. De belofte staat vast in het verbond van God met Zijn volk: wie tot Zijn Koninkrijk behoren, zullen opstaan tot leven. Zoals geschreven staat: “Maar niet gelijk de misdaad, alzo ook de genadegift; want indien door de misdaad van één velen gestorven zijn, veel meer is de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is door den enigen Mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen” (Romeinen 5:15). En: “Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere” (Romeinen 6:23).
Dit leven is geen kerkelijk dogma, maar de herstelling van het ware Israël in het Koninkrijk van de Messias.
De werken en inspanningen van de mens hebben absoluut NIETS te maken met Gods redding. Of een gelovige in het geloof blijft, is niet relevant. Ofwel zijn ze gered en kunnen ze dat nooit verliezen, ofwel zijn ze nu niet gered en hebben ze het nooit gehad. Je kunt je geestelijke geboorte niet ongedaan maken, net zoals je je fysieke geboorte niet ongedaan kunt maken. Johannes 3:16 is zo duidelijk over de kwestie van verlossing: “Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Als een verloren zondaar gewoon in Christus gelooft, zal hij nooit verloren gaan.
Arminius heeft niet echt iets onderwezen, hij heeft alleen de ketterijen van het calvinisme weerlegd. Hoewel ik het eens ben met de eerste vier weerleggingen van het calvinisme door Arminius, kan ik zijn ketterij dat de gelovige zijn redding kan verliezen zeker niet accepteren. Calvijn had het op dit punt ook niet bij het rechte eind. Hoewel ik het er WEL mee eens ben dat een gelovige zijn redding nooit kan verliezen, ongeacht hoe diep hij in zonde vervalt, accepteer ik NIET de onbijbelse ketterij van Calvijn dat we tot het einde moeten “volharden” om gered te worden. In Calvijns commentaar op 1 Johannes 3:9 gebruikt hij het woord ‘volharding’ en stelt hij duidelijk:
“De harten van de godvruchtigen worden zo effectief door de Geest van God bestuurd, dat zij door een onbuigzame instelling Zijn leiding volgen.” (Johannes Calvijn)
“De kracht van de Geest is zo effectief, dat zij ons noodzakelijkerwijs in voortdurende gehoorzaamheid aan de gerechtigheid houdt.” (Johannes Calvijn)
Dit is geen leer van ware zekerheid. Het volhardende geloof van de heiligen gaat niet over eeuwige bestemming, maar over een wandel die past bij wie een kind van God is. Calvijn kon niet aanvaarden dat gelovigen wél zondigen, soms op ernstige wijze. Mensen kunnen afdwalen en in zonde blijven leven, waardoor hun gemeenschap met God verbroken raakt, al blijven zij deel van Zijn volk.
David pleegde overspel en liet de echtgenoot van de vrouw doden. Een jaar lang toonde hij geen berouw. Toch verloor hij zijn plaats binnen Gods volk niet; zijn zonden braken slechts de gemeenschap. Pas toen hij berouw toonde, werd de band hersteld. Salomo leefde daarentegen tot het einde toe in rebellie en afgoderij, wat diepe schade bracht aan zijn relatie met de Eeuwige. Calvijns leer over volharding en beloning is daarmee onhoudbaar.
Calvijns leerstellingen zijn in wezen een vorm van Lordship Salvation. Er bestaat veel verwarring over het laatste punt van het calvinisme. Sommigen menen dat Calvijn onvoorwaardelijke eeuwige zekerheid onderwees, terwijl anderen denken dat hij leerde dat eeuwige zekerheid afhankelijk is van de volharding van de gelovige. Uit Calvijns eigen uitspraken blijkt dat hij geloofde dat een mens niet alleen op Christus kon vertrouwen voor verlossing, maar dat een leven van toewijding en volharding ook noodzakelijk was als bewijs van bekering.
De Bijbel leert wel dat een mens bij zijn verlossing een nieuw schepsel in Christus wordt, maar dat betekent niet dat dit altijd aan de buitenkant zichtbaar is. Lot leefde in een verdorven omgeving en maakte vele verkeerde keuzes, en toch wordt hij in 2 Petrus 2:7 een rechtvaardig man genoemd. Er zijn ook gelovigen die bewust in zonde leven, maar dat betekent niet dat zij hun redding verliezen of nooit gered zijn geweest. Wie ontkent dat een mens, ondanks zijn fouten, behouden kan zijn, voegt werken toe aan het eenvoudige geloof waardoor wij behouden worden.
De waarheid van de zaak
Johannes Calvijn was een ketter! Ja, het is waar dat een mens niet kan worden gered tenzij God de Heilige Geest in zijn hart werkt, maar de Bijbel leert duidelijk dat het de taak van de Heilige Geest(Gods inspiratie) is om DE WERELD te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Ja, God wist van tevoren (voordat de wereld begon) wie Hem op een dag zou vertrouwen, en Hij heeft hen voorbestemd om te worden gelijkvormig aan HET BEELD VAN ZIJN ZOON, maar NIET om te worden gered.
God kiest NOOIT iemand om gered te worden. Hij heeft hen wel voorbestemd voordat de wereld begon, maar alleen omdat Hij zag dat die mensen op een dag uit eigen vrije wil zouden kiezen om gered te worden. God dwingt NOOIT iemand om gered te worden. Het is gemakkelijk om af te dwalen in onze leerstellingen als we niet beseffen dat God leeft in de eeuwigheid, waar GEEN tijd bestaat. Er is dus GEEN chronologie in Gods wereld, alleen in die van de mens.
De leer van “wedergeboorte” zoals die in veel kerken wordt verkondigd, berust op een misvatting. Het gaat in de Schrift niet om een mystieke verandering in een mens, maar om Gods roeping en uitverkiezing van het regeringslichaam van Jezus Christus. Hij verkiest wie deel zal uitmaken van dat lichaam dat met Hem zal regeren, net zoals Hij Zijn verbond met Zijn volk Israël eeuwig heeft vastgesteld.
Daarom spreekt Openbaring over “het Lam dat geslacht is vóór de grondlegging der wereld”, en daarom zegt Petrus dat “één dag bij de Heere is als duizend jaar, en duizend jaar als één dag” (2 Petrus 3:8). God had Zijn plannen voor Zijn Koninkrijk al bepaald vóór de schepping, inclusief wie geroepen zouden worden tot dat regerende lichaam.
Voorbestemming heeft dus niets te maken met persoonlijke redding of met wat mensen “wedergeboorte” noemen. Het verwijst naar Gods besluit om een bestuur te vormen onder Christus, bestaande uit hen die Hij heeft uitgekozen. Wie door Hem geroepen zijn tot dat doel, zullen hun plaats ontvangen in dat Koninkrijk. Wie daarvan afwijken, tonen slechts dat zij niet tot dat lichaam behoren. Zoals geschreven staat:
“Zij zijn uit ons midden uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij bij ons gebleven zijn” (1 Johannes 2:19).
Het verbond met Israël staat vast; dat is het volk van God. De uitverkiezing daarbinnen betreft niet redding van de ziel, maar roeping tot regering met Christus.
We mogen NIET toestaan dat menselijke doctrines ons afleiden van de waarheid van Gods Woord. Een goede bijbelleer of prediker zal ons altijd naar Christus en het Woord van God leiden, en NIET ervan afleiden. De apostel Paulus was een volwassen man van God. De vleselijke gelovigen in de kerk van Korinthe bevonden zich in een vergelijkbare situatie als veel van de gelovigen van vandaag:
“Nu verzoek ik u, broeders, bij de naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt en dat er geen verdeeldheid onder u is, maar dat u volkomen eensgezind bent in dezelfde gedachte en in hetzelfde oordeel. Want mij is van u, broeders, door degenen die uit het huis van Chloe zijn, verkondigd, dat er twistzaken onder u zijn. Nu zeg ik dit, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Cephas, en ik van Christus. Is Christus verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of bent u in de naam van Paulus gedoopt? Ik dank God dat ik niemand van u gedoopt heb, behalve Krispus en Gaius, opdat niemand zou zeggen dat ik in mijn eigen naam gedoopt heb” – 1 Korintiërs 1:10-15.
Ik ben GEEN Arminiaan of Calvinist! Laat dit ons standpunt zijn!






